Historie

>hoofd-inhoudsopgave<

  • 2.1 Belangrijke personen
  • 2.2 Verenigingen 
  • 2.3 Tijdschriften
  • 2.4 Internationale congressen
  • 2.5 Opleidingen
  • 2.6 Professionalisering, registratie en erkenning
  • 2.7 Werkgelegenheid en faciliteiten


  • 2.1 Belangrijke personen

    Van der Drift, in de vijftiger en zestiger jaren geneesheer-directeur van een psychiatrisch ziekenhuis, schreef in 1957 een boek over speltherapie, culturele therapie en bewegingstherapie en speelde een belangrijke rol in het ontstaan van de activerende en culturele therapieën. Hij gaf opdracht de muziektherapie in het psychiatrisch ziekenhuis te ontwikkelen.

    Kliphuis (1973, 1988) benadrukte reeds in 1957 het procesmatige van creatieve therapie en schiep in de daarop volgende jaren, nadat Vaessen de term "creatieve therapie" geïntroduceerd had, de Creatief Procestheorie. Deze theoretische invalshoek vormde de grondslag voor de verschillende creatieve therapieën van de Middeloo-opleiding. Kliphuis ontwikkelde op basis van onderzoek de "appellijst", een observatieschaal met behulp waarvan aan het creatief materiaal appels worden toegekend die iets zeggen over bij de cliënt bestaande behoeften. Waardenburg (1973b, 1979) gaf de muziektherapie haar plaats binnen de Creatief Procestheorie hetgeen onder meer blijkt uit de door haar gelegde verbinding tussen de appelwaarden van de muziekinstrumenten en de persoonlijke behoeften van de cliënt. Door Smitskamp (1988) werd de Kreatief Procestheorie verder uitgewerkt. Stappers (1988), Baerends en Vink-Brouwer (1990) pasten haar toe op de muziektherapie.  

    Vanaf 1967, vonden in Queekhoven te Breukelen op uitnodiging van de Eduard van Beinum Stichting (Berghout & Folmer) de eerste bijeenkomsten voor muziektherapeuten plaats. In het voorjaar van 1968 werd een cursus georganiseerd waar muziektherapeuten met ervaring aan het woord kwamen, onder andere Holthaus, Gretener-von Sury, Kassels-Kroon, Noske-Fabius, Haans en Ter Burg. Buitenlandse gasten waren Nordoff en Robbins. Er zouden nog meer landelijke cursussen met buitenlandse gasten plaatsvinden, ondersteund en georganiseerd door leden van de Eduard van Beinum Stichting, de eerste Stichting Muziektherapie en later de Sectie Muziek van de Nederlandse Vereniging voor Kreatieve Therapie. Door laatstgenoemde werd in 1980 Schmölz uitgenodigd. 

    Holthaus was de eerste die in 1970 een samenhangende methodiek publiceerde. Hij ontwierp de ritmetest, onder meer bestaande uit items die uitsluitsel geven over het vermogen van de cliënt het tempo en de dynamiek te variëren, het kunnen volgen en het toestaan gevolgd te worden. Deze test werd door het gebruik van de Electronische Holthaus Metronoom en de Holthaus Chirograph gestandaardiseerd. 

    Fockema Andreae en Steenhuis, die bij Holthaus studeerden, publiceerden in 1977 een boek over muziektherapie in de psychiatrie. Het boek, dat een belangrijke rol in de Nederlandse muziektherapie heeft gespeeld, vertoont weinig sporen van de Holthaus-methode maar bevat een procesmatige visie op creativiteit, waarin het "kreatief moment" een centrale plaats inneemt. Fockema Andreae was geruime tijd de voorzitter van de Nederlandse Vereniging voor Kreatieve Therapie en stimuleerde in deze functie de organisatie van muziektherapeuten en de professionalisering van het beroep. 

    Haans, Van Nieuwenhuijzen, Ter Burg en De Bruijn leverden sinds 1970, door het geven van lezingen en workshops over muziektherapie in de psychiatrie, geriatrie, zwakzinnigenzorg en revalidatie een belangrijke bijdrage aan de bekendmaking van het beroep. Haans was sinds 1967 tevens betrokken bij de organisatie van muziektherapeuten in België. 

    Methoden die naast de reeds genoemde tot ontwikkeling kwamen zijn de methode Gretener-von Sury, bestaande uit oefeningen ter vergroting van de orde, de concentratie en de sociale interactie van gehandicapten, de methode "Le Bon Départ" van Bugnet-van der Voort voor gehandicapten en de muziektherapie met doven van Gerits. 

    Alhoewel reeds in 1939 het antroposofisch proefschrift van Lievegoed "Maat, Ritme, Melodie" verscheen, kwam binnen de antroposofie in Nederland de muziektherapie pas later tot ontwikkeling. In 1968 werd door Mees-Christeller aan de Akademie "De Wervel" een cursus beeldend vormen gestart, in 1983 gevolgd door kunstzinnige therapie muziek. 

    In de zeventiger en tachtiger jaren verschenen publicaties die een samenvattend karakter hadden, zoals het boek van Stavenga (1979) en het boek onder redactie van Adriaansz, Schalkwijk en Stijlen (1986). In het laatste wordt door een groot aanral ervaren muziektherapeuten op systematische wijze verslag gedaan van hun eigen methode.

    Tevens verschenen werken die de neerslag vormen van een in een enkel werkveld ontwikkelde methodiek. Voorbeelden hiervan zijn de methodieken van Ter Burg (1985) voor het werken met slechtziende verstandelijk gehandicapten, De Bruijn (1984) voor het werk in de (kinder)revalidatie en het "snoezelen" voor diep en ernstig verstandelijk gehandicapten (Hulsegge & Verheul 1986). Freund (1986) introduceerde een methode van receptieve muziektherapie die door onder andere Wijzenbeek, Van Nieuwenhuijzen, Raijmaekers, Gabriëls en Bueno de Mesquita verder werd ontwikkeld en gevariëerd (Herman & Overdulve, 1990). 

    Schalkwijk was in de tachtiger jaren degene die in de vorm van meerdere publicaties een belangrijke bijdrage leverde aan de theorievorming en het onderzoek. Hij gaf in 1984 de eerste aanzet tot het definiëren van muziektherapie als psychotherapie en maakte later op basis van onderzoek onderscheid tussen psychotherapeutisch, orthoagogisch en rekreatief werken. 

    In de tweede helft van de tachtiger jaren werd zijn rol geleidelijk overgenomen door Smeijsters die, naast het doen van kwantitatief en kwalitatief onderzoek, werkt aan de theorievorming rond indicatie, analogie en onderzoek. Binnen het Muziektherapeutisch Laboratorium te Nijmegen ontwikkelde hij met Van den Hurk, Van den Berk en Storm een praktijkgerichte kwalitatieve onderzoeksmethode. Smeijsters redigeerde met Summer de Music Therapy International Report Volume 8 van de American Association for Music Therapy en was hoofdredacteur van de eerste twee delen van het European Music Therapy Research Register. 

    Schalkwijk en Van den Berk stonden aan de basis van het Muziektherapeutisch Laboratorium dat nu onder leiding staat van Van den Berk en Smeijsters. Gedrieën gaven zij vorm aan de samenwerking tussen de Hogeschool Nijmegen en de Katholieke Universiteit Nijmegen. 

    De laatste jaren is de nederlandse muziektherapie internationaal een belangrijke plaats gaan innemen. Tekenen hiervan zijn de lezingen die door Nederlanders worden gegeven tijdens in-ternationale congressen, publicaties in internationale tijd-schriften en boeken, in Nederland georganiseerde conferenties, door Nederlanders geredigeerde internationale uitgaven en voorzieningen als het Documentary Information and Communication System (D.I.C.S.) met als centrum Nijmegen. 

    2.2 Verenigingen

                                                                 > inhoudsopgave  

    In 1969 werd, als vervolg op een bijeenkomst in het najaar van 1968 te Queekhoven, de eerste Stichting Muziektherapie in het leven geroepen. Een van de redenen was dat van de in 1962 opgerichte Nederlandse Vereniging voor Expressieve en Kreatieve Therapie op dat moment uitsluitend kreatief therapeuten uit de psychiatrie lid waren en deze vereniging daardoor het brede werkterrein van de muziektherapie niet kon omvatten. De stichting hield zich bezig met het inventariseren van de bestaande muziektherapeutische activiteiten in Nederland en het in de vorm van werkgroepen bevorderen van de communicatie tussen muziektherapeuten (Verslagen, 1969 en 1970). De stichting ging in 1976 uiteindelijk op in de Nederlandse Vereniging voor Expressieve en Kreatieve Therapie. Deze vereniging, waarvan het merendeel van de leden aanvankelijk had bestaan uit psychiaters en psychologen, veranderde in 1977 haar naam in Nederlandse Vereniging voor Kreatieve Therapie (NVCT) nadat de kreatief therapeuten de meerderheid waren gaan vormen. 

    In 1984 werd door de vereniging aansluiting gevonden bij een grote vakbond voor ambtenaren. De vereniging stelt zich ten doel: 
    -de bestudering, beoefening en ontwikkeling van de creatieve therapie in diverse mediumgebieden te bevorderen, en 
    -de maatschappelijke belangen van haar leden, voor zover deze betrekking hebben op de uitoefening van hun beroep als creatief therapeut, te behartigen (NVCT, 1988) 
    (Fockema Andreae, 1993). 

    Sinds 1978 bestaat in de vereniging de Sectie Muziek, die vanaf 1995 de beroepsgroep muziektherapie wordt genoemd. Bij deze beroepsgroep zijn ongeveer 250 muziektherapeuten aangesloten. 
    De vereniging tracht haar doel te bereiken door het houden van ledenvergaderingen, het organiseren van cursussen en seminars, het door middel van onderhandeling komen tot kollektieve ar-beidsovereenkomsten en het uitgeven van een tijdschrift. De vereniging kent verschillende commissies/werkgroepen zoals de commissie maatschappelijke belangenbehartiging, de commissie van toezicht beroepscode, de commissie kontakt-, informatie- en adviesbureau, de werkgroep onderzoek muziek (WOM), de werkgroep eigen praktijk, de werkgroep documentatiesysteem muziektherapie (DOCU). 

    De vereniging organiseerde, ter gelegenheid van haar 25 jarig jubileum in 1987 een landelijk congres. 

    Op dit moment is er, mede als gevolg van de ontwikkelingen op het terrein van de muziektherapie, binnen de vereniging een discussie gaande over de toekomstige structuur: kiezen voor één "creatieve therapie" of een verbinding van de afzonderlijke therapieën tot een federatie (Benneker & van der Stelt, 1994). 

    Terwijl de vereniging vooral een nationale functie heeft onderhoudt de tweede Stichting Muziektherapie, opgericht in 1987, internationale contacten. De stichting, die ten doel heeft het bevorderen van wetenschappelijk onderzoek en methodiekontwikkeling, tracht haar doel te verwezenlijken door het organiseren van internationale congressen en studiedagen (Huzink & Hilarius, 1987). Voorbeelden van ondernomen activiteiten zijn het van 23-27 augustus 1989 te Noordwijkerhout gehouden 5th International Congress Music Therapy and Music Education for the Handicapped (Pratt, 1993) en de Preconference Music Therapy in Health and Education in the European Community op 16 en 17 november 1991. De Stichting Muziektherapie verleende in 1992 medewerking aan het samenstellen van de Music Therapy International Report Volume 8 (Summer & Smeijsters, 1992/1993) en gaf in 1995 het European Music Therapy Research Register Volume II uit (Smeijsters, Rogers, Kortegaard, Lehtonen & Scanlon, 1995). 

    2.3 Tijdschriften

                                                                 > inhoudsopgave  

    Door de Nederlandse Vereniging voor Expressieve en Kreatieve Therapie werden sinds 1966 de zogenaamde Documentatiebladen uitgegeven, sinds 1982 door de Nederlandse Vereniging voor Kreatieve Therapie voortgezet in de vorm van het driemaandelijkse Tijdschrift voor Creatieve Therapie. 

    Het Fonds Muziektherapie van de BUMA heeft, naast het financieren van onderzoek, een film en magazines over muziektherapie laten vervaardigen met als oogmerk het informeren van een groter publiek. 

    2.4 Internationale congressen

                                             > inhoudsopgave  

    In 1983 werd tijdens het World Harp Congress te Maastricht door Van Nieuwenhuijzen een lezing gehouden waarin hij muziektherapie en muziekpedagogie tegenover elkaar plaatste en de ontwikkeling van de muziektherapie in Nederland tot dat moment schetste (Van Nieuwenhuijzen, 1983). 

    In de maand augustus van 1989 werd te Noordwijkerhout het 5th International Congress Music Therapy and Music Education for the Handicapped gehouden. Dit congres werd bijgewoond door rond 200 deelnemers uit de hele wereld. 

    In november 1991 vond de Preconference Music Therapy in Health and Education in the European Community plaats. Hieraan namen 20 personen uit 9 west-europese landen deel. Met deze preconference werd een inhoudelijke bijdrage geleverd aan de voorbereiding van de tweede europese conferentie met als onderwerp Music Therapy in Health and Education in the European Community, die in april 1992 te Cambridge (Engeland) werd gehouden. 

    Van den Berk was lid van de wetenschappelijke commissie ter voorbereiding van het zevende wereldcongres in Vitoria-Gasteiz. Smeijsters maakte deel uit van de wetenschappelijke commissie van het derde europees congres te Aalborg (1995) en fungeert als voorzitter van de internationale wetenschappelijke commissie ter voorbereiding van het achtste wereldcongres in Hamburg (1996) met als titel: Sound and Psyche. 

    De Bruijn is namens de Stichting Muziektherapie lid van een voorbereidingscommissie van het ISME congres. 

    2.5 Opleidingen

                                                                     > inhoudsopgave  

    In Nederland bestaan op dit moment binnen het reguliere on-derwijssysteem 4 fulltime opleidingen voor muziektherapie met een duur van 4 jaar. De opleidingen zijn onderdeel van de Hogeschool Utrecht, de Hogeschool Nijmegen, de Hogeschool Sittard en de Hogeschool Enschede. Aan de Rijkshogeschool Maastricht bestaat een in het reguliere onderwijssysteem geïntegreerde opleiding voor orthopedagogisch muziekbeoefenaar. De vijf opleidingen maken deel uit van het HBO-onderwijs. 

    De opleidingen in Amersfoort, Nijmegen en Sittard stelden in 1986 en 1990 gezamenlijk eindtermen vast. In deze opleidingen is muziektherapie onderdeel van de creatieve therapie en verkeert zij in het gezelschap van de dramatherapie, beeldende therapie, danstherapie en tuintherapie. De verbindende elementen met de andere therapieën staan voorop. 

    Deze opleidingen en de opleiding in Enschede voldoen aan de criteria van het Register Creatief Therapeuten en zijn full member van The European Consortium of Arts Therapies Education (ECArTE). 

    Naast de reeds genoemde opleidingen bestaat er een opleiding op antroposofische basis: de "Akademie De Wervel" te Zeist en een vervolgopleiding orthopedagogisch muziekbeoefenaar aan het Conservatorium te Alkmaar. Bovendien zijn er verschillende 

    kortdurende parttime cursussen zoals aan het Sweelinck Conservatorium te Amsterdam, een cursus receptieve muziektherapie, een cursus muziektherapie op basis van Neuro Linguistisch Programmeren, de opleiding Communicatie-agogie volgens de methode Gretener, de studiedagen van Sectie Muziek van de Nederlandse Vereniging voor Kreatieve Therapie en de studiedagen van de Stichting "Le Bon Départ". 

    Aan de Katholieke Universiteit Nijmegen vindt sinds 1989, in nauwe samenwerking met de Hogeschool Nijmegen, elk jaar een wetenschappelijke cursus Grondslagen van Muziektherapie met sprekers uit binnen- en buitenland, plaats. In 1993 werd voor het eerst vanuit het Muziektherapeutisch Laboratorium een onderzoekscursus voor Muziektherapeuten aangeboden. Deze cursus werd uitgebreid tot een onderzoekscursus voor creatief therapeuten en is met ingang van 1995 een samenwerkingsproject van de Hogeschool Nijmegen, de Hogeschool Utrecht, de Hogeschool Enschede en de Hogeschool Sittard. 

    Master courses waarbij wordt samengewerkt tussen nederlandse hogescholen en buitenlandse universiteiten worden voorbereid. Er bestaat in Nederland (nog) geen structurele mogelijkheid voor het behalen van een doctoraat (Dr.). Promoveren is wel mogelijk op basis van individuele afspraken tussen promotor(es) en promovendus. 

    Totdat in de zestiger, zeventiger en begin tachtiger jaren de opleidingen voor creatieve therapie ontstonden werden muziektherapeuten veelal als musicus opgeleid en zorgden zij zelf voor een bijscholing tot muziektherapeut. Nadat de opleidingen creatieve therapie gevestigd waren kwam in de tweede helft van de tachtiger jaren een discussie op gang die het landschap en de inhoud van de opleidingen weer veranderde. Omdat geleidelijk meer onderscheid werd gemaakt tussen het psychotherapeutische, ortho(ped)agogische en rekreatieve werken met muziek ontstonden de opleidigen te Maastricht en Alkmaar. Bovendien kwam de relatie met de andere creatieve therapieën en met creativiteit als zodanig ter discussie te staan. Dit kwam tot uitdrukking in de nieuwe opleiding aan het conservatorium te Enschede. 

    In het volgende wordt een korte schets van de verschillende opleidingen gegeven. 

    De opleiding voor creatieve therapie in Amersfoort begon in 1947 toen verschillende kunstenaars startten met een opleidingsprogramma voor jongerenwerkers. In 1965 kreeg de opleiding tenslotte vorm in de 4-jarige fulltime opleiding creatieve therapie "Middeloo", nu onderdeel van de Hogeschool van Utrecht. Hier werd de Creatief Procestheorie voor de verschillende creatieve therapieën ontwikkeld (Kliphuis, 1973, 1988; Smitskamp, 1988) en op de muziektherapie toegepast (Waardenburg, 1973a, 1973b, 1979; Stappers, 1988; Baerends & Vink-Brouwer, 1990). Smitskamp (1988, blz. 35) omschrijft een creatief proces als een proces: 

    "...waarin iemand zich bevrijdt van starre verhoudingen met zijn omgeving en nieuwe, zelfgevonden, zinvolle verhoudingen met zijn omgeving aangaat door er aktief op in te gaan". 

    Deze definitie benadrukt het vinden van nieuwe mogelijkheden in de omgeving. De omgeving kan een appèl doen op de persoon en de persoon uitnodigen iets met de omgeving te doen. Of en hoe een persoon ingaat op het appèl van de omgeving maakt, zo wordt verondersteld, iets duidelijk over iemands behoeftenpatroon. 

    Men ontdekte dat er in totaal 32 appèls mogelijk zijn. De onderverdeling van deze appèls werd gemaakt overeenkomstig de psychoanalytische ontwikkelingsfasen. Mensen kunnen in de omgang met kreatief materiaal blijk geven van de behoefte aan versmelting met de omgeving ("oceanisch"), koestering door de omgeving ("oraal-passief"), het verorberen of verscheuren van de omgeving ("oraal-aktief), het zich in de omgeving uitdrukken ("anaal") of ten toon spreiden ("fallisch") en het exploreren van de omgeving ("genitaal"). De creatief therapeut maakt een appèl-analyse en stelt een behoeften-hiërarchie op. 

    Om behoeften te kunnen toelaten die nooit worden uitgedrukt wordt een structureel veilige situatie geschapen. 

    In de Music Therapy International Report Volume 8 (Summer & Smeijsters, 1993) vat Smitskamp de basisfilosofie van de opleiding als volgt samen: 

    1. In music people can express and experience the same emotions and emotional blocks they encounter in daily life. 

    2. By focussing on making music, rather than on personal or relational problems, music provides a safe haven to experiment with expression. 

    3. In this musical process people can play and experiment with different forms of expression of their emotions, integrate conflicting emotions, and rediscover "lost" or dangerous emotions. 

    4. By expressing these emotions within a musical structure, they can be accepted and reintegrated. 

    5. Discovery, acceptance and reintegration of emotions with-in the musical structure provides an experiential basis for integration within the daily life structure. 

    In de opleiding nemen selfervaring in de groep en zelfstandig leren een belangrijke plaats in. 

    In 1978 ontstond te Nijmegen de 4-jarige fulltime opleiding creatieve therapie "De Kopse Hof", nu onderdeel van de Hogeschool van Arhnem en Nijmegen. Cimmermans (1985), Boomsluiter (1990) en Luttikhuis (1990) noemen een groot aantal uitgangspunten van creatieve therapie waarvan enkele belangrijke zijn: 

    -Het persoonlijke aspect. Het doel van de creatieve therapie is het vergroten van het vermogen de situatie meester te worden. 

    -Het medium aspect. De creatief therapeut ontleent het thera- peutische handelen aan de specifieke kenmerken van het medium. 

    -Het expressieve aspect. Creatieve therapie helpt bij het tot uitdrukking brengen van gevoelens die mensen niet kunnen of mogen uiten. 

    -Het analoge aspect. Bij het maken van een creatief produkt komen veel overwegingen en handelingen voor die ook in het dagelijkse leven van belang zijn. 

    In de opleiding muziektherapie spelen in het bijzonder aspecten als beweging, structuur, communicatie en associatie een rol. Men veronderstelt dat gevoelens die werden omgezet in lichamelijke spanningen door te bewegen op muziek toegankelijk worden en dat muziek leidt tot het emotioneel "door iets bewogen zijn". Met structuur wordt bedoeld dat muziek tegemoet komt aan de gestaltmatige wijze waarop de mens waarneemt. Uitgangspunt is verder dat in de muzikale improvisatie de aandacht wordt gevestigd op de wijze waarop de deelnemers met elkaar communiceren. Een laatste kenmerk van muziek dat belangrijk wordt geacht is het feit dat muziek bepaalde associaties oproept en de projectie van persoonlijke inhouden mogelijk maakt. 

    Alhoewel in de opleiding het zwaartepunt ligt bij onderwijs dat de student in staat stelt veranderingsprocessen door zelf-ervaring te leren kennen, krijgen de laatste jaren door an-deren ontwikkelde methodische en wetenschappelijke inzichten meer aandacht. Gestalttherapeutische, psychoanalytische en client-centered methoden worden in het curriculum ondergebracht. Tegelijk komt het denken vanuit indicaties en analogieën tot ontwikkeling, de vraag wanneer muziektherapie de aangewezen therapie is en welke specifieke muzikale processen psychische processen mogelijk maken (Schalkwijk, e.a. 1990; Smeijsters 1992a en 1992b, 1993b). 

    In 1981 startte de opleiding "De Jelburg", later samengegaan met "Middeloo" als onderdeel van de Hogeschool Utrecht. Kenmerkende uitgangspunten van de Jelburg zijn de aandacht voor expressie en de zelfstandigheid van de creatief therapeut. Dit leidde tot het benadrukken van de zelfstandigheid van de student binnen de opleiding. Voor zelfstandig functioneren wordt noodzakelijk geacht dat de student inzicht heeft in de verschillende vormen van hulpverlening, kennis bezit over de verschillende doelgroepen, de noodzakelijke vaardigheden verwerft en inzicht heeft in de eigen mogelijkheden en beperkingen. 

    Een onderwijskundige principe is het "koöperatief" onderwijs waarbij de studenten elkaar als oefenmateriaal gebruiken. 

    Er wordt van uit gegaan dat er geen onderscheid bestaat tussen in de onderwijsinstelling met elkaar omgaan en therapeutisch bezig zijn. Methodisch bestaan er binnen de opleiding raakvlakken met de morfologische muziektherapie. 

    Kurstjens ontwikkelde, uitgaande van de morfologische school in Duitsland, een eigen "kunstanaloge" benadering waarin wordt gewerkt met metaforen. Deze benadering wordt op dit moment getoetst in de kortdurende therapie. 

    De "Mikojel" academie te Sittard, in 1984 gestart naar het model van MIdelloo-KOpse hof-JELburg, werd onderdeel van de Hogeschool Sittard. De uitgangspunten en curriculumonderdelen van de 4-jarige fulltime opleiding komen voor een groot deel overeen met de overige opleidingen voor creatieve therapie. 

    Kreatieve therapie wordt gezien als het gebruik maken van de kracht van kunst om mensen via de weg van het creatief proces en het creatief product zelf tot een eigen vormgeving te laten komen (Hogeschool Sittard, 1992). Alhoewel ook in Sittard (Hogeschool Limburg) het creatieve proces centraal staat wordt, vergeleken met de creatieve opleidingen te Amersfoort en Nijmegen, het creatieve product meer benadrukt. 

    De omschrijving van "vormgeven" sluit evenwel nauw aan bij de andere opleidingen voor creatieve therapie. Vormgeven wordt gedefiniëerd als: 

    "... het veranderen van wat gegeven is ... hetgeen geschiedt door conventies los te laten, maar tegelijk vast te houden aan het eigen concept en een eigen keuze te maken". 

    Men stelt verder dat door expressie het ongrijpbare psychische waarneembaar wordt als iets persoonlijks dat zich concreet buiten de persoon bevindt en daardoor reflectie en communicatie over het psychische mogelijk maakt. 

    Zoals in de andere opleidingen voor creatieve therapie krijgt in het onderwijs het leren kennen van creatieve therapie door de eigen creatieve ontwikkeling van de student veel aandacht 

    (Binnendijk, 1992; Van Heerden, 1992). 

    In de opleiding vindt geen specialisatie vanuit een bepaalde therapeutische stroming noch vanuit een bepaalde doelgroep plaats. 

    De sinds 1994 4-jarige fulltime opleiding muziektherapie van het Conservatorium van de Hogeschool Enschede startte in 1986 als 5-jarige fulltime opleiding. Het curriculum van de opleiding werd ontwikkeld vanuit de "competencies" zoals deze door Bruscia, Hesser & Boxill (1981) en Bruscia (1986) werden geïnventariseerd. De visie die aan de opleiding ten grondslag ligt is dat een muziektherapeut therapeut en musicus is, iemand die op methodische wijze muziek kan inzetten bij het herstel, het behoud en de ontwikkeling van het psychische en lichamelijke functioneren. 

    Muziek wordt uitsluitend opgevat als een middel in het therapeutische proces. De opleiding richt zich met name op de be-handeling van neurotische en psychotische stoornissen en het ontwikkelen van de sociaal-emotionele, cognitieve en motorische vaardigheden van gehandicapten. 

    Uitgaande van de kenmerken van de stoornis wordt veel aandacht besteed aan het analyseren van individuele behandelplannen aan 

    de hand van de stappen: verwijzing - observatie - diagnose - indicaties - doelstellingen - werkvormen & technieken - evaluatie. Het theoretische kader wordt gevormd door het analoge-procesmodel (Smeijsters, 1992a, 1992b, 1993b, 1995). Hierbij wordt verondersteld dat een stoornis of handicap in het muzikale gedrag tot uitdrukking komt, "hoorbaar wordt", en door het gebruik van op de stoornis of handicap afgestemde muzikale processen via het muzikale gedrag beïnvloed kan worden. 

    Tijdens de studiejaren worden de studenten ingeleid in de belangrijkste methoden van muziektherapie en de bijbehorende theoretische kaders zoals psychoanalyse, gestalttherapie, client-centered therapy, gedragstherapie and communicatietheorie. Op basis van de kennismaking met verschillende methoden ontwikkelt de student tijdens de stage een eigen werkwijze. 

    Na de stage wordt in de vorm van een zelfstandig praktijkproject, door middel van zelfstandige literatuurstudie en het schrijven van een scriptie het eigen handelen verder onderbouwd. De student wordt dan in staat geacht workshops en lezingen over muziektherapie te kunnen geven. De student wordt tevens voorbereid op de praktische, organisatorische en coöperatieve aspecten van het toekomstige beroep. 

    In 1988 startte aan de Rijkshogeschool Maastricht de sinds 1994 4-jarige fulltime studiedifferentiatie orthopedagogisch muziekbeoefenaar. Met behulp van een twee jaar durend werkveldonderzoek werd een behoeftenpeiling uitgevoerd aan de hand waarvan de vaardigheden van de orthopedagogische muziekbeoefenaar werden bepaald en in het curriculum vastgelegd (Berghs, 1988). 

    De opleiding kreeg vorm vanuit het referentiekader van de orthopedagogiek. Problemen waarop de hulp betrekking kan hebben zijn: sociaal-emotionele problemen, gedragsproblemen, leerstoornissen en lichamelijke of verstandelijke handicaps. 

    Orthopedagogische muziekbeoefening wordt door Berghs (1988, en Rijkshogeschool Maastricht, 1992) gekarakteriseerd als: 

    "...een methode van maatschappelijke hulp- en dienstverlening waarbij muziek zowel proces- als productgericht wordt ingezet met als doel het geven van extra en specifieke hulp bij het muziek maken door de gehandicapte of ontwikkelingsbedreigde mens". 

    Uitgangspunt is de lessituatie. De orthopedagogische muziekbeoefenaar start niet vanuit de problematiek van de cliënt, maar vanuit het muziek maken. Op het moment dat problemen zichtbaar worden verandert het muziek maken in een hulpverleningssituatie. Hierin verschilt deze benadering van een therapeutische aanpak die vanaf het begin op het probleem wordt afgestemd. Bij orthopedagogische muziekbeoefening lopen het muziek maken en het met behulp van muziek overwinnen van problemen in elkaar over. Er is sprake van "Adaptive music instruction" en "Instructional music therapy" (Bruscia, 1989). 

    De antroposofische opleiding De Wervel te Zeist heeft als uit-gangspunt de harmonieuze ontwikkeling van de drie bewustzijnselementen: "denken", "voelen" en "willen". Lichamelijke ziekte en psychische stoornis worden omschreven als een verstoorde balans in de mens zelf en tussen de mens en zijn omgeving. Kunstzinnige therapie muziek, dient volgens deze opvatting het herstel van de verstoorde harmonie en het vinden van een balans die verloren ging. Daarbij wordt een beroep gedaan op de kreatieve vaardigheden, niet in de vorm van emotionele expressie, maar door identificatie met het kunstzinnige proces en training van de zintuigen. 

    De opleiding kunstzinnige therapie muziek duurt 4½ jaar en bevat naast praktische, theoretische en therapeutische scholing de studie van de therapeutische waarde van de verschillende muziekinstrumenten zoals lier, chrotta, kromhoorn etc. Kenmerkend voor de opleiding is de verbinding met andere kunsten zoals beweging, spraak en beeldende kunst. 

    2.6 Professionalisering, registratie en erkenning

                 > inhoudsopgave 

    In 1985 werd ter bescherming van het beroep door de Nederlandse Vereniging voor Kreatieve Therapie het Register Statuut aangenomen en werd de Registercommissie ingesteld, in 1987 gevolgd door de Stichting Register Creatief Therapeuten. Deze stichting beheert, onafhankelijk van de vereniging, het register en toetst of opleidingen aan de criteria van het register voldoen. De commissie regelt de toelating tot het register van de individuele creatieve therapeut, c.q. muziektherapeut. Om te kunnen voldoen aan registratie moet de afgestudeerde muziektherapeut zowel muzikaal, agogisch/therapeutisch als muziektherapeutisch op HBO-niveau geschoold zijn en na zijn opleiding een twee jaar durende werkbegeleidende, door het register erkende, mentoraatsperiode doorlopen. 

    De Nederlandse Vereniging voor Kreatieve Therapie stelde bovendien een Professioneel Statuut Kreatief Therapeut (1985) en een Professionele Code voor de Kreatief Therapeut (1987) op en maakte een Beroepsprofiel Kreatief Therapeut (1989, 1994). Het professioneel statuut regelt de relatie tussen de creatief therapeut en de werkgever. Het statuut is onderdeel van de besprekingen tussen de vakbond waarbij de vereniging is aangesloten en de Nederlandse Ziekenhuisraad (de organisatie van werkgevers). De beroepscode bevat ethische bepalingen betreffende de relatie tussen de creatief therapeut en de cliënt en de creatief therapeut en collega's. Het beroepsprofiel geeft een beschrijving van creatieve therapie en beschrijft de werkwijze en vaardigheden van creatief therapeuten. De hernieuwde formulering van het beroepsprofiel in de jaren 1993 en 1994 luidde de discussie in over de structuur van de vereniging waaraan reeds werd gerefereerd. 

    Het beroep van creatief therapeut is semi-geprofessionaliseerd (Van Praag & Schalkwijk, 1990; Nijenhuijs, 1992). Het uitoefenen van het beroep is van overheidswege nog niet beschermd, een situatie die zich kan wijzigen wanneer creatieve therapie in de "BIG"-wet, die de professionele bescherming van beroepen regelt, wordt opgenomen. 

    2.7 Werkgelegenheid en faciliteiten

                                     > inhoudsopgave  

    Muziektherapeuten in de psychiatrie werken veelal aan instellingen waar ook andere creatieve therapieën plaatsvinden. In totaal is er bij 95% van de psychiatrische instellingen een vorm van creatieve therapie. In 65% van de gevallen maakt muziektherapie hier deel van uit. De muziektherapeut werkt als enige muziektherapeut (50%) of in een team bestaande uit meerdere fulltime en/of parttime muziektherapeuten. In ongeveer 80% van de gevallen heeft de muziektherapeut zitting in het behandelteam bestaande uit psychiaters en psychotherapeuten (Zijlstra, 1991). 

    De salariëring van de muziektherapeut variëert tussen het lagere niveau van aktiviteitenbegeleider (Functiegroep 45) en hogere niveaus (Functiegroep 55 en 60), met de Functiegroep 50 als modus (Zijlstra, 1991). 

    De verhouding tussen zij die in de beginperiode aan een conservatorium ( + aanvulling) en zij die aan de later opgerichte scholen voor creatieve therapie werden opgeleid is op dit moment ongeveer gelijk. Het is vooral de oudere generatie - met een conservatorium plus aanvullende opleiding - die is doorgestroomd naar de hogere functiegroepen. 

    De muziektherapeuten in de psychiatrie beschikken over een of meerdere werkruimten, een uitgebreid instrumentarium en een eigen budget. 

    De muziektherapie in de zwakzinnigenzorg heeft een minder gun-stige ontwikkeling doorgemaakt. Zij wordt vaak tot de activiteitenzorg gerekend, met als gevolg minder faciliteiten en ook lagere salarissen. 

    De overheid draagt de kosten van de instellingen waarin muziektherapeuten werken en de fulltime of parttime vaste aanstellingen zijn op grond van wetgeving en arbeidsovereenkomsten geregeld. De afstand tot de meer gevestigde beroepen zoals psychiater en psychotherapeut is echter nog groot, het-geen ook in de betaling tot uitdrukking komt. 

    Enkele muziektherapeuten zijn gestart met een privépraktijk. Alhoewel sommige verzekeraars de therapie vergoeden wanneer sprake is van een verwijzing door een arts of psychiater valt de muziektherapie in een privépraktijk veelal nog buiten de normale vergoedingsregelingen.

    > inhoudsopgave